avondrust

in de avond glijdt door onze vingers
de geur van boerenjasmijn, dragen wij
in onze handen pollen. voor wie zacht

wil slapen, zingen wij een lied van ongeloof.
in het raam blaft nu slechts de hond
naar zijn spiegelbeeld. buiten spelen

taferelen verstoppertje. een vleermuis
scheert haar vlucht kaal. wij zoeken
onze kooien en schuiven de grendels.

Beeltenis

Moeder is een schilderij. Zij ademt
pastoraal, draagt zonnebloemen
in haar lach. Weinig ligt bij haar

het leven stil. Een dulle griet,
bij tijd en wijl een schreeuw.
En altijd schuilt in haar de piëta.

Zij is de grondkleur en de was.
Tussen de lagen laat ze vlakken open.
Haar kader is haar kroost: de randen

en de bressen. Ze leeft in lichte vegen,
toetst stippen bij elkaar. Hoeken van
mensen. Met zachte hand een vaste lijn.

Maar berg haar niet in een museum.
Laat haar lelie op het water zijn, klaproos
op het veld. Roos met doornen, duizend-
schoon.

vader gaat voorbij. als de nacht
trekt hij het laken naar zich toe.
voor meer heeft hij te weinig voet

aan de grond. met tussenpozen telt hij
beren in de hemel. ze gaan nooit
onder, blijven schijnen. in zijn hoofd

glimlacht een vrouw. zij kent zijn weg
heel goed. de tijd vergeet zijn tellen
op te passen. alles is toch bereid.

hoe hij wankel door de kamer laveert, een dode hoek probeert,
in het hoofd lij en loef verwart. hoe hij vloed over eb plooit
om laatste dagen te vullen, zijn kringen in water verbergt.
hij wil doorgronden wat onzichtbaar aan ons voorbijschuift.

er is geen wind die schuld kan dragen, geen excuus:
dit is een kalme zee en boven is de hemel
helderblauw. papa vaart zijn koers op een moment
dat ons niet past. vandaag zijn wij nog landmannen

zonder vinnen. wij schoren ons aan meerpalen, schuren
onze handen aan hooivorken en snelbouwstenen,
kweken in vette poldergrond. wij schuiven onze einders
nu nog voor ons uit. die van hem is ons zo vreemd.

 

Psalm

nog elke dag kruis ik jou,
raak je net niet aan

ik kan niet meer omarmen
je beuken zijn te ruim gegroeid

je pilaren bijten, je schuurt mij
uit je moederbuik, krast mij uit je palm

maar laat mij later aan je voeten
laat mij stof en naam zijn

veilig liggen in je marmerhoven
in de omwalling van je linden

dek mij in je schaduw, in de hitte
van de zomer, in sneeuw

laat mij in luwte zijn

DSCN7136

19e Poëziewedstrijd van de stad Izegem

izegem 2017Twee gedichten werden geselecteerd door de jury van deze wedstrijd. Het gedicht ‘Wegens werken’ werd tot winnend gedicht gekozen. Het was een gedeelde eerste plaats : ook ‘Een nieuwe kijk op Newton’ van Geert Viaene werd tot winnaar gekroond. Het (jury)verslag én de winnende gedichten kan je terugvinden op De Schaal van Digther (http://digther.blogspot.be/2017/02/poezieprijs-van-de-stad-izegem-editie.html)

ga nu maar, kleine. zo is het genoeg.
ons hoor je niet meer. we openen je deur
en ruimen de spullen. je oortjes, vingers
op het raam. en altijd die foto met choco.

buiten wacht de tuin en wij tellen
botten op de vlinderstruik. witte stippen
op de paddenstoel, hinkelvallen. te veel
dagen die lang duren.

kom nu maar, kleine. nu zijn wij klaar
voor jou. wij grimlachen niet meer altijd.
de avonden zijn lichter. wij drinken
witte wijn en kraken nootjes.

Schoon Schip

In Schoon Schip (23e jg, Nr 2016/4) werden zes gedichten gepubliceerd: ‘tenenloop’, ‘wij geloven’, ‘rots’, ‘(ook morgen komt het licht)’, ‘samen’ en ‘fenomeen’.

schoon schip