Beeltenis

Moeder is een schilderij. Zij ademt
pastoraal, draagt zonnebloemen
in haar lach. Weinig ligt bij haar

het leven stil. Een dulle griet,
bij tijd en wijl een schreeuw.
En altijd schuilt in haar de piëta.

Zij is de grondkleur en de was.
Tussen de lagen laat ze vlakken open.
Haar kader is haar kroost: de randen

en de bressen. Ze leeft in lichte vegen,
toetst stippen bij elkaar. Hoeken van
mensen. Met zachte hand een vaste lijn.

Maar berg haar niet in een museum.
Laat haar lelie op het water zijn, klaproos
op het veld. Roos met doornen, duizend-
schoon.

hoe hij wankel door de kamer laveert, een dode hoek probeert,
in het hoofd lij en loef verwart. hoe hij vloed over eb plooit
om laatste dagen te vullen, zijn kringen in water verbergt.
hij wil doorgronden wat onzichtbaar aan ons voorbijschuift.

er is geen wind die schuld kan dragen, geen excuus:
dit is een kalme zee en boven is de hemel
helderblauw. papa vaart zijn koers op een moment
dat ons niet past. vandaag zijn wij nog landmannen

zonder vinnen. wij schoren ons aan meerpalen, schuren
onze handen aan hooivorken en snelbouwstenen,
kweken in vette poldergrond. wij schuiven onze einders
nu nog voor ons uit. die van hem is ons zo vreemd.

 

19e Poëziewedstrijd van de stad Izegem

izegem 2017Twee gedichten werden geselecteerd door de jury van deze wedstrijd. Het gedicht ‘Wegens werken’ werd tot winnend gedicht gekozen. Het was een gedeelde eerste plaats : ook ‘Een nieuwe kijk op Newton’ van Geert Viaene werd tot winnaar gekroond. Het (jury)verslag én de winnende gedichten kan je terugvinden op De Schaal van Digther (http://digther.blogspot.be/2017/02/poezieprijs-van-de-stad-izegem-editie.html)

ga nu maar, kleine. zo is het genoeg.
ons hoor je niet meer. we openen je deur
en ruimen de spullen. je oortjes, vingers
op het raam. en altijd die foto met choco.

buiten wacht de tuin en wij tellen
botten op de vlinderstruik. witte stippen
op de paddenstoel, hinkelvallen. te veel
dagen die lang duren.

kom nu maar, kleine. nu zijn wij klaar
voor jou. wij grimlachen niet meer altijd.
de avonden zijn lichter. wij drinken
witte wijn en kraken nootjes.

Schoon Schip

In Schoon Schip (23e jg, Nr 2016/4) werden zes gedichten gepubliceerd: ‘tenenloop’, ‘wij geloven’, ‘rots’, ‘(ook morgen komt het licht)’, ‘samen’ en ‘fenomeen’.

schoon schip

Gierik & NVT (nr 133)

In het winternummer 133 (2016) werden drie gedichten opgenomen in ‘Een proeftuin vol talent’. Ze worden aangekondigd als ‘KDL maakt duidelijk wat poëtisch onbegrepen dreigt te blijven’ en worden gepubliceerd onder de titel “Nooit helemaal weg”.
De gedichten: ‘Anijs’, ‘Stille liedjes’ en ‘Vrienden’

dscn7130

4732

ze loopt zo moeilijk. ze draagt haar benen op de trap
in vierendertig stappen. boven wacht de nieuwe hemel.

de leuning kent de lange lijnen van haar hand, de treden
het tikken van de wandelstok. ze neemt haar tijd, komt nooit

te laat. slechts haar knoken zijn toen gebroken, het slot
verknipt, het hoofd in doeken gewikkeld. uit één oog kijkt ze

in de kieren van de vloer en ziet stof trillen. ziet het dakraam
in de zon. ziet het stof in de zon trillen, vol verlangen.

ze tekent op haar rug foto’s met was bedekt, schrijft
in trage letters kinderrijmen. en spreekt zo zacht.

stik nu je zomerhoeden en kleur je benen rood.
of teken sterren. laat de hemel nog maar wachten.

Als honger komt, telt hij stenen voor broden.
In de voegen kruist hij dagen die nog komen,
zegent kruimels en wacht op wind uit zee.

Wat overblijft, is stof van kaf en soms
herinnering. Ze kleeft vettig aan de ramen,
uitzichtloos. Hij leert met vallen en wandelen.

Stappen nemen de getijden. Ze ruimen plaats,
zoeken vaste grond buiten land. Een meeuw,
schuim van golven. De geur van nacht.